FANDOM


(errorfix)
Cool2

5Latijn

VERGILIUS, BUCOLICA (ECLOGE 1)Edit

- Tityrus, jij oefent een landelijke melodie op je ranke rietfluit, terwijl je onder het loverdak van een breed vertakt beuk ligt. Wij (moeten) ontvluchten ons vaderlijk domein en onze zoete velden en we verlaten als bannelingen onze geboortestreek, jij Tityrus, leert lui liggend in de schaduw, het geboomte de mooi Amarylis te weerklinken.

- O, Meliboeus, een god heeft me deze vrije tijd geschonken, want hij zal voor mij altijd een god zijn; vaak zal een zacht lam uit onze schapenstal zijn altaar (met bloed) doordrenken. Hij stond toe dat mijn runderen vrij rondgrazen en dat ik mij naar believen amuseer op mijn herdersfluit.
- Ik ben in geen geval jaloers, ik ben meer verwonderd: overal heerst er op het platteland wanorde! Kijk, ik drijf zelf verdrietig de geiten vooruit; dit krijg ik zelfs nauwelijks mee, Tityrus, want hier tussen de dichte hazelstruiken, heeft zij twee bokjes, de hoop van de kudde, op de barre rots ter wereld gebracht en moeten achterlaten. Vaak herinner ik me dat eiken getroffen door de bliksem me vaak hebben gewaarschuwd, als de geest niet verblind was geweest.
- Maar zeg mij (ons) dan toch wat voor iemand die god is, Tityrus.
- Wat moest ik doen? Het was noch toegestaan uit de slavernij te treden, noch elders zulke hulpvaardige goden te leren kennen. Hier heb ik die jongeman gezien, Meliboeus, voor wie jaarlijks 12 dagen ons altaar rookt. Hij was het die tenslotte het antwoord gaf aan mij, die vroeg: “Weid, jongens, zoals vroeger runderen, fok stieren”.
- Gelukkige oude man! Dus jouw landerijen zullen blijven! En het is voldoende groot voor jou, zelfs al bedekken barre stenen en moeras met modderig riet al je weidegronden.
Geen onbekend voeder (voeders) zal je drachtige ooien ziek maken, noch zullen besmettelijke ziekten van naburig vee ze deren. Gelukkige oude man! Hier, bij de bekende beekjes en de heilige bronnen zul je genieten van een lommerrijke (schemerdonkere) koelte! Hier zal jou, zoals steeds, een naburige grenshaag, afgezogen, wat de wilgenbloesems betreft, door bijen met hun licht gezoem, vaak noden tot het knappen van een uiltje. Hier onder de hoge rots zal de snoeier ten hemel zingen, maar ook zullen intussen schorre houtduiven, je troeteldiertjes, noch de tortel ophouden te roekoeën vanuit de rijzige olm. Eerder dus zullen ranke herten weiden in zee en de golven de vissen droog achterlaten op het strand, eerder zal de Part van de Saône drinken, of de Germanen van de Tigris, dan dat zijn beeltenis uit ons hart glijdt (verdwijnt).
- Maar sommigen van ons zullen van hieruit naar het dorstige Afrika gaan, anderen naar Scythië en nog anderen zullen komen naar de krijtmeesleurende Araxes en naar Bretagne, ervan gescheiden door de hele wereld. Zal ik dan ooit, na lange tijd, het vaderlijke gebied zien, het dak van de arme hut, dat samengebracht is met plagge (zode) zien, mijn koninkrijk zien en nadien toch enkele korenaren bewonderen? Zal een goddeloze soldaat deze zo noest bewerkte velden bezitten, een barbaar deze oogsten? In welke onheil heeft de tweedracht de ongelukkige burgers gestort! Wij hebben onze velden ingezaaid voor dezen! Ent dan maar, Meliboeus, de perelaren, zet de wijnstokken mooi op rijen. Ga mijn geitjes, mijn ooit gelukkige vee; niet meer zal ik jullie voortaan, languit gelegen in de groene grot in de verte zien hangen in een met struiken begroeide rots; geen liederen zal ik zingen, niet meer zullen jullie geitjes, terwijl ik jullie hoed, knabbelen aan bloeiende luzurnes en bittere wilgenlover. Toch kan je met mij deze nacht rusten bovenop het groene loof; ik heb (wij hebben) rijp fruit, zachte kastanjes en een voorraad geperste melk. Bovendien roken in de verte de schoorstenen van de landhuizen al en de alsmaar langer wordende schaduwen vallen van de hoge bergen.

GEORGICAEdit

Nog geen tekstje :'(